GRIP: GRoin Injury Prevention study

Projectleider

Janine Stubbe, HvA
Contactgegevens: j.stubbe@hva.nl

Het projectteam

Het projectteam bestaat uit Igor Tak (fysiotherapiepraktijk Utrecht Oost), Rob Langhout (fysiotherapiepraktijk Dukenburg) Simon Goedegebuure (De Sportartsen Groep) Sander Bliekendaal (HvA), Angelo Richardson (HvA), Janine Stubbe (HvA en Codarts) en Anne-Marie van Beijsterveldt (TNO). Het onderzoek wordt verricht bij 12 voetbalclubs spelend in de Eredivisie en Jupiler League. Daarnaast zijn de volgende organisaties nauw betrokken bij de uitvoering van het onderzoek: De Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), de Vereniging voor Fysiotherapeuten binnen het Betaald Voetbal (VFBV), het College van Clubartsen en Consulenten (CCC), de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg (NVFS), de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) en het Nederlands Paramedisch Instituut (NPi). Meerdere studenten dragen bij aan dit onderzoek in het kader van een afstudeertraject. 

Projectbeschrijving

Achtergrond: Veel Betaald Voetbal Organisaties (BVO) zitten financieel in zwaar weer door de economische crisis. Om kosten te besparen spelen clubs met steeds jongere spelers en kleinere selecties. Dit brengt echter een groot risico met zich mee in de vorm van blessures. BVO’s zijn gezamenlijk op jaarbasis meer dan 20 miljoen euro kwijt aan blessures. Met name liesblessures zijn een groot probleem. Dit zijn blessures die veelvuldig voorkómen en een langdurig hersteltraject vergen. Daarnaast hebben voetballers een verhoogd risico op een nieuwe liesblessure als ze hersteld zijn van een eerdere liesklacht. 

Doel onderzoek: Doel van dit RAAK-MKB project is het verbeteren van de bedrijfsvoering van BVO’s in Nederland door te onderzoeken op welke manier liesblessures bij profvoetballers voorkómen en effectiever behandeld kunnen worden.

De samenwerkingspartners werken gezamenlijk aan de volgende drie projectresultaten:

  1. Een online registratiesysteem dat de trainingsbelasting, omvang van liesklachten, potentiele risicofactoren en de liesbehandeling kan monitoren;
  2. Een testbatterij bestaande uit fysieke testen die de geïdentificeerde risicofactoren in kaart kan brengen en aangeeft welke speler “at risk” is voor het oplopen van een liesblessure;
  3. Een protocol dat aanbevelingen geeft ten aanzien van best practices voor het behandelen van liesklachten. 

Methode:

Alle voetballers van de deelnemende voetbalclubs worden voorafgaand aan het seizoen 2015-2016 gescreend. De screening bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste worden een aantal fysieke testen afgenomen. Daarnaast wordt door het meetteam een intakevragenlijst afgenomen bij de voetballers. Deze vragenlijst bevat onder andere items over leeftijd, speelpositie, voorkeursbeen, blessurehistorie, ervaring in het voetbal en transfers. Per speler worden de gegevens van de screening in een Excel bestand ingevoerd. Vervolgens worden vanaf het begin tot aan het einde van het voetbalseizoen 2015-2016 alle voetballers prospectief gevolgd. Voetballers vullen zelf wekelijks in of ze klachten ervaren aan de lies. Daarnaast wordt bij elke BVO één contactpersoon aangewezen binnen de club die verantwoordelijk is voor de invoer van de data. Deze contactpersoon voert een aantal clubgegevens in. Daarnaast vult de contactpersoon gedurende het voetbalseizoen de blessureformulieren en herstelformulieren in voor de geblesseerde en herstelde spelers. Tevens vult de contactpersoon wekelijks in welke liesgerelateerde behandelingen zijn uitgevoerd. Ten slotte wordt de registratie van de trainingsminuten bijgehouden. Per dag worden de trainingsarbeid en de trainingsvorm weergegeven door de contactpersoon. Dit wordt gedaan voor zowel de geblesseerde als niet-geblesseerde spelers. Door de individuele trainingen te registreren die een geblesseerde speler tijdens zijn revalidatieproces doorloopt, wordt inzicht verkregen in de trainingsopbouw van revaliderende spelers.

Na de registratieperiode wordt per profvoetballer bekeken of hij gedurende het seizoen een liesklacht heeft gehad of niet. Berekend wordt wat onder andere de prevalentie (percentage voetballers dat een liesprobleem heeft), incidentie (aantal liesproblemen per 1.000 uur voetbal) en ernst (duur) is van lichamelijke klachten en blessures aan de lies. Tevens wordt getoetst wat de invloed is van de factoren uit de screening, de trainingsomvang en het aantal gespeelde wedstrijden op het liesblessurerisico. Na de registratieperiode worden alle spelers geselecteerd die behandeld zijn voor liesblessures. Met behulp van frequentietabellen wordt meer inzicht verkregen in de behandelingen. De revalidatiegegevens betreffen het aantal hersteltrainingen, het soort trainingen, het aantal behandelingen, het type behandelaar en de diagnose die is gesteld. Onderzocht wordt welke behandelingen leiden tot de kortste behandelduur en welke behandelingen leiden tot de minste restklachten.

©2015 Amsterdam Institute of Sport Science (AISS)
;