Home » Verslag kennissessie dwarslaesie & topsport

Verslag kennissessie dwarslaesie & topsport

15 januari 2026

Op 14 januari 2026 kwamen coaches, trainers en embedded scientists van de Nederlandse Paralympische programma’s samen voor een uitgebreide kennissessie over dwarslaesie en sport. Tijdens de bijeenkomst georganiseerd door Paralympic Science Support NL i.s.m. het Amsterdam Institute of Sport Science werden drie inhoudelijke presentaties gegeven door experts uit de revalidatiegeneeskunde, inspanningsfysiologie en internationale classificatie. De sessie bood een actueel en praktijkgericht overzicht van medische aandachtspunten, fysiologische uitdagingen en de rol van classificatie binnen de Paralympische sport.

1. Dwarslaesie en secundaire complicaties

– Wendy Achterberg (revalidatiearts – Reade)

Wendy Achterberg opende de inhoudelijke ochtend met een overzicht van de medische basis van dwarslaesies en de brede waaier aan secundaire complicaties die sporters kunnen ervaren. Ze benadrukte dat elke beschadiging van het ruggenmerg die symptomen veroorzaakt onder de noemer dwarslaesie valt, met uiteenlopende oorzaken zoals trauma, infecties, tumoren of vasculaire problemen.
Achterberg lichtte de AIS classificatie toe, die onderscheid maakt tussen complete en incomplete laesies (AIS A–E). Deze indeling bepaalt in belangrijke mate het motorische en sensibele functioneren van een sporter en vormt de basis voor medische begeleiding en trainingsaanpassingen.

Sporters met een dwarslaesie kunnen te maken krijgen met een groot aantal complicaties, waaronder neuropathische en nociceptieve pijn, spasticiteit, blaas- en darmproblematiek, decubitus, luchtweginfecties en ademhalingsproblemen, osteoporose, autonome dysregulatie en bloeddrukproblemen. Achterberg benadrukte dat coaches en begeleiders een belangrijke signalerende rol hebben. Vroege herkenning en laagdrempelig overleg met medische experts zijn cruciaal om problemen te voorkomen of tijdig te behandelen. Naast de belangrijke signalerende rol van coaches en begeleiders is het ook belangrijk om deze onderwerpen laagdrempelig te bespreken met de sporters.

2. Inspanningsfysiologie bij atleten met een dwarslaesie

– Prof. dr. Thomas Janssen (hoogleraar Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam / Reade)

In twee opeenvolgende sessies besprak Thomas Janssen de unieke fysiologische uitdagingen waarmee atleten met een dwarslaesie te maken hebben. Zijn presentatie bood inzicht in circulatie, temperatuurregulatie en het bepalen van trainingsintensiteit.

Door verstoorde of afwezige sympathische innervatie is de maximale hartfrequentie bij tetraplegie sterk verlaagd (100–120 bpm). Ook slagvolume en hartminuutvolume zijn beperkt door een zwakkere hartspier, verminderde veneuze terugkeer en het ontbreken van vasoconstrictie en spierpomp. Dit heeft directe gevolgen voor prestaties bij armarbeid. Tevens hebben atleten met een hoge dwarslaesie vaak last van chronische lage bloeddruk, wat kan leiden tot problemen met betrekking tot geheugen, aandacht en executieve taken. Aan de andere kant komt ook autonome dysreflexie, potentieel levensgevaarlijke hypertensieve episodes, uitgelokt door prikkels onder het laesieniveau voor. Janssen benadrukte het belang van herkenning, snelle interventie en preventie.
Atleten met een dwarslaesie hebben een sterk verminderde mogelijkheid om warmte af te voeren of kou te verdragen. Koelstrategieën zoals handkoelen, koelvesten of pre cooling kunnen helpen, maar effect verschilt per individu en per laesieniveau.

Bepalen van inspanningsintensiteit is belangrijk voor coaches en atleten en wordt vaak gedaan met behulp van hartfrequentiemetingen. Dit is meestal ook mogelijk bij atleten met een dwarslaesie, maar er moet naast de reguliere verstorende factoren zoals hoge temperaturen en waterhuishouding, zeker rekening gehouden worden met de hoogte en compleetheid van de laesie, de inspanningsmodus, hulpmiddelen zoals buikbanden of elektrostimulatie en autonome dysreflexie. Daarom zijn subjectieve maten zoals RPE (Borg-schaal) vaak betrouwbaarder, vooral bij atleten met een hoge dwarslaesie.

3. Classificatie bij atleten met een dwarslaesie

– Ingrid Kouwijzer (Senior onderzoeker, Reade & internationaal classifier Para-cycling)

Ingrid Kouwijzer sloot de ochtend af met een overzicht van de internationale classificatie binnen de Paralympische sport. Ze benadrukte dat classificatie bedoeld is om eerlijke competitie mogelijk te maken door de invloed van beperkingen op sportprestatie te minimaliseren.

Classificatie bestaat uit vier stappen:
1. Vaststellen van een Underlying Health Condition (bijv. dwarslaesie)
2. Bepalen of er sprake is van een Eligible Impairment
3. Toetsen aan de Minimum Impairment Criteria
4. Indelen in een sportklasse op basis van functionele impact op sportspecifieke taken

Voorbeelden uit de praktijk

  • Rolstoelrugby: 0.5–3.5 puntensysteem op basis van arm handfunctie en rompfunctie
  • Rolstoeltennis: twee klassen (open en quad)

Kouwijzer liet zien hoe het classificatieproces verloopt bij atleten met een dwarslaesie en demonstreerde hoe medische informatie, lichamelijk onderzoek en observatie tijdens classificatie en competitie worden gebruikt om tot een eerlijke en consistente indeling te komen.

Afsluitend

De kennissessie bood een rijk en multidisciplinair overzicht van de medische, fysiologische en sporttechnische aspecten van dwarslaesie in topsport. De drie presentaties onderstreepten het belang van:

  • vroegtijdige herkenning van complicaties
  • individuele fysiologische begeleiding
  • zorgvuldige en transparante classificatie

Voor coaches en embedded scientists vormt deze kennis een essentiële basis om Paralympische atleten veilig, effectief en duurzaam te begeleiden richting sportieve excellentie.

Lees ons magazine

 

Agenda

Meer informatie

Gerelateerd nieuws